Wanneer de mentale gezondheid een belemmering vormt voor lichaamsbeweging: mensen tegemoetkomen waar ze staan

Door Amanda L. Rebar, Universiteit van South Carolina, VS

Lichamelijke activiteit wordt steeds vaker aanbevolen als onderdeel van de mentale gezondheidszorg – en daar zijn goede redenen voor. Het bewijs is overtuigend: regelmatige lichaamsbeweging kan symptomen van depressie en angst verminderen, het welzijn verbeteren en een aanvulling vormen op psychologische en farmacologische behandelingen.

Er is echter een praktische vraag die centraal staat bij het bevorderen van lichaamsbeweging voor de mentale gezondheid: hoe kunnen we mensen ondersteunen om actief te zijn als een slechte mentale gezondheid de motivatie en het vermogen om dat te doen kan ondermijnen?

Wanneer symptomen belemmeringen vormen voor lichaamsbeweging

Steeds meer onderzoek wijst erop dat psychische symptomen niet louter belemmeringen zijn voor lichaamsbeweging; ze vormen een belangrijk onderdeel van het proces zelf en beïnvloeden de motivatie en het vermogen van mensen om actief te zijn.

Voor iemand die kampt met depressie, angst of hoge stressniveaus kunnen de symptomen zelf belangrijke bepalende factoren worden voor het bewegingsgedrag. Depressie kan energie wegnemen, ervoor zorgen dat alledaagse taken zwaarder aanvoelen en het plezier verminderen dat mensen halen uit activiteiten die ze vroeger waardeerden. Angst kan ervoor zorgen dat sociale situaties, onbekende omgevingen of zelfs de fysieke sensaties die gepaard gaan met lichaamsbeweging, ongemakkelijk of bedreigend aanvoelen. Stress kan de aandacht beperken tot onmiddellijke eisen, waardoor er weinig mentale ruimte overblijft voor gezondheidsdoelen op de langere termijn.

Beweging ondersteunen bij veranderde symptomen

Op deze manier kunnen psychische symptomen niet alleen invloed hebben op hoe mensen zich voelen, maar ook op welke manier ze in staat zijn gedrag te vertonen dat hun mentale gezondheid kan ondersteunen. Het besef hiervan verlegt de focus van het simpelweg lichaamsbeweging aanbevelen naar het ondersteunen van de betrokkenheid.

Hoe kunnen zorgverleners mensen dan helpen om betrokken te blijven bij lichaamsbeweging wanneer symptomen deelname bemoeilijken?

Een nuttig uitgangspunt is het herkennendat mentale gezondheid zelden statisch is. Symptomen veranderen in de loop van de tijd, en dat geldt ook voor iemands vermogen om aan lichaamsbeweging te doen. Iemand die de ene week actief en betrokken is, kan de volgende week dezelfde activiteit veel moeilijker vinden. Deze veranderingen weerspiegelen vaak wisselende symptomen en omstandigheden, in plaats van een gebrek aan inzet.

Tegenslagen zien als informatie, niet als mislukking

Dit perspectief moedigt zorgverleners aan om af te stappen van het perspectief van inactieve periodes als mislukkingen. Wanneer lichaamsbeweging niet verloopt zoals gepland, levert dat informatie op. In plaats van te vragen waarom iemand het niet heeft volgehouden, kan het nuttiger zijn om te vragen wat in de weg stond. Was het doel onrealistisch gezien de symptomen van die week? Maakte de vermoeidheid de activiteiten te zwaar? Kregen andere verplichtingen voorrang? Of voelde de activiteit gewoonweg niet leuk of overweldigend aan? Inzicht in deze belemmeringen kan zorgverleners en patiënten helpen toekomstige plannen aan te passen in plaats van ze helemaal op te geven.

Verminder het vertrouwen op motivatie en zelfbeheersing

Een tweede implicatie is dat ondersteuning niet volledig op motivatie mag berusten. Motivatie kent van nature ups en downs, vooral in periodes van slechte mentale gezondheid. Zorgverleners kunnen helpen omstandigheden te creëren waarin het gemakkelijker is om met een activiteit te beginnen en deze vol te houden.

Activiteitsdoelen aanpassen aan veranderde behoeften

Flexibele doelen, duidelijke actieplannen, een ondersteunende omgeving en vaste routines kunnen allemaal de afhankelijkheid van tijdelijke motivatie verminderen. Doelen moeten bijvoorbeeld flexibel genoeg zijn om rekening te houden met veranderde symptomen, terwijl actieplannen kunnen helpen om een activiteit te koppelen aan specifieke signalen en kansen in het dagelijks leven.

Belangrijk is dat dit niet betekent dat de verwachtingen moeten worden bijgesteld. Het betekent dat we erkennen dat vooruitgang zelden lineair verloopt. Tijdens moeilijkere periodes kan succesvol al betekenen dat men een routine volhoudt, een korte wandeling maakt of een haalbare manier vindt om in beweging te blijven. In periodes waarin de symptomen minder belastend zijn, kunnen de doelen worden uitgebreid en de activiteiten worden opgevoerd.

Waarom plezier belangrijk is

Tenslotte verdient plezier meer aandacht bij het bevorderen van lichaamsbeweging. Recent onderzoek wijst erop dat lichaamsbeweging in de vrije tijd een sterkere band heeft met mentale gezondheid dan activiteiten op andere gebieden, wat benadrukt dat de context ertoe doet. Activiteiten die plezierig, zinvol en zelfgestuurd aanvoelen, zijn wellicht gemakkelijker vol te houden en gunstiger voor de mentale gezondheid dan activiteiten die puur worden ondernomen omdat ze als gezond worden beschouwd. Mensen ondersteunen bij het vinden van bewegingsvormen die zij oprecht waarderen, kan daarom net zo belangrijk zijn als hen helpen een bepaald activiteitsdoel te bereiken.

Mensen tegemoetkomen waar ze staan

Samen weerspiegelen deze principes wat het betekent om mensen tegemoet te komen waar ze staan. Niet door verwachtingen te verlagen of doelen op te geven, maar door de ondersteuning aan te passen aan veranderde symptomen, omstandigheden en mogelijkheden. 

Lichamelijke activiteit kan een krachtig hulpmiddel zijn ter ondersteuning van de mentale gezondheid. Maar het aanbevelen ervan is slechts het begin. De echte uitdaging (en kans) voor zorgverleners is om mensen te helpen verbonden te blijven met lichamelijke activiteit wanneer symptomen deelname bemoeilijken. Mensen tegemoetkomen waar ze staan, de ondersteuning aanpassen aan veranderde omstandigheden en tegenslagen zien als leermomenten, kan net zo belangrijk zijn als de aanbeveling zelf.

Praktische aanbevelingen

  1.     Verwacht schommelingen, geen consistentie.
    Symptomen op het gebied van mentale gezondheid, motivatie en energieniveaus veranderen in de loop van de tijd. Bespreek lichaamsbeweging als iets dat van week tot week mogelijk moet worden aangepast, in plaats van een gestage, lineaire vooruitgang te verwachten.
  2.     Beschouw tegenslagen als informatie, niet als mislukkingen.
    Wanneer lichaamsbeweging niet verloopt zoals gepland, ga dan na wat in de weg stond. Was het doel onrealistisch gezien de huidige symptomen? Waren er concurrerende eisen, omgevingsbarrières of uitdagingen met betrekking tot het plezier? Gebruik deze inzichten om toekomstige plannen bij te sturen in plaats van ze op te geven.
  3.     Stel plannen op die niet volledig afhankelijk zijn van motivatie.
    Help mensen eenvoudige routines, signalen en actieplannen te vinden die het gemakkelijker maken om met lichaamsbeweging te beginnen, vooral op moeilijkere dagen. Het doel is niet om de motivatie te maximaliseren, maar om de afhankelijkheid van zelfbeheersing te verminderen.
  4.     Geef prioriteit aan betrokkenheid boven vooruitgang.
    In periodes waarin de geestelijke gezondheid minder goed is, kan het volhouden van lichaamsbeweging belangrijker zijn dan het behalen van richtlijndoelen. Een korte wandeling, een vertrouwde routine of een haalbare vorm van beweging kan helpen het zelfvertrouwen te behouden en een basis te leggen voor toekomstige vooruitgang.
  5.     Maak plezier tot een behandeldoel.

Activiteiten die zinvol, bevredigend of plezierig aanvoelen, worden vaker op de lange termijn volgehouden. Help mensen bij het vinden van bewegingsvormen die zij oprecht waarderen, in plaats van uitsluitend te focussen op wat in theorie optimaal lijkt.

Vertaald door: Denise Makkinje – van Rijen en Isabelle Colombi-Maussen

Read more

Het Integratieve Model voor Aanpassing aan Voortdurende Uitdagingen (IMACC): inzicht in en ondersteuning van biopsychosociale aanpassing

Door Lis Dreijer Hammond, Universiteit van Aalborg (DK), Christian Karlsen Hansen & Martin Lemhkuhl Kristensen, revalidatiecentrum voor Vluchtelingen, regionale gezondheidsdiensten Noord-Jutland (DK) en Chalotte Glintborg, Universiteit van Aalborg (DK)

Wanneer ziekte of ingrijpende negatieve gebeurtenissen zich voordoen, keert het leven vaak niet terug naar hoe het vroeger was. Voor mensen met langdurige aandoeningen is de uitdaging niet alleen het beheersen van symptomen, maar ook het aanpassen aan een veranderd leven. Wanneer dit aanpassingsproces wordt verstoord, kan dit bijdragen aan angst, depressie, slechtere fysieke gezondheidsresultaten en een toegenomen gebruik van de gezondheidszorg. Schattingen van hoe goed mensen zich aanpassen aan langdurige aandoeningen lopen sterk uiteen, afhankelijk van hoe aanpassing wordt gemeten. Slechtere aanpassing wordt geschat op 16,9 tot 62%. Voor goede aanpassing varieert de schatting van 13 tot 36,3%. Wereldwijd leven meer dan 1 miljard mensen met langdurige multimorbiditeit. Als tot twee derde aanpassingsmoeilijkheden ervaart, is er een dringende noodzaak om de ondersteuning bij de aanpassing aan langdurige aandoeningen te verbeteren.

(more…)

Read more

Helping caregivers when patients leave hospital: Practical lessons from co-production

By Kathryn McEwan, Northumbria University, UK

Sarah helped her father pack his belongings; relief mixed with rising anxiety. After five days in hospital following his stroke, he was being discharged. A nurse had briefly mentioned medication changes and follow-up appointments, but Sarah (who would be providing his care at home) hadn’t been part of those conversations. She left with a discharge summary she didn’t fully understand, unclear about warning signs to watch for, and no idea who to call if problems arose. Within 48 hours, her father was readmitted to hospital.

(more…)

Read more

Pas op voor de kloof: gelijkheid verankeren in de dagelijkse praktijk

Door Amanda O’Connor, Claire Blewitt en Helen Skouteris, Monash University, Melbourne, Australië.

Gezondheidsgelijkheid betekent dat iedereen een eerlijke en rechtvaardige kans heeft om een goede gezondheid te bereiken, ongeacht sociaaleconomische positie, etniciteit, gender of andere sociale omstandigheden. Toch laten huidige wereldwijde trends zien dat de gezondheidskloof groter wordt. Verschillen in levensverwachting tussen landen – vaak veroorzaakt door structurele zwaktes in gezondheidssystemen, systemisch racisme en vooroordelen, en ongelijke sociale en economische omgevingsomstandigheden – kunnen meer dan drie decennia bedragen. Ook binnen landen nemen de ongelijkheden tussen sociale groepen toe.

Deze onderliggende oorzaken kunnen ver verwijderd lijken van ons dagelijkse werk. Zorgprofessionals werken echter vaak onder tijdsdruk, met beperkte middelen en binnen strikte protocollen. Het kan daardoor lijken alsof gelijkheid vooral een beleids- of systeemvraagstuk is. Toch wordt gelijkheid ook gevormd in alledaagse zorgcontacten: in de manier waarop diensten zijn georganiseerd, in hoe communicatie verloopt, in hoe beslissingen worden genomen en in welke patiënten daadwerkelijk profiteren van beschikbare zorg.

Elke consultatie, zorgroute en poging tot verbetering van de dienstverlening functioneert als een kleine interventie. Keuzes rond afsprakensystemen, doorverwijzingsroutes, patiënteneducatiematerialen, digitale hulpmiddelen en follow-up procedures kunnen verschillen verkleinen of juist vergroten. Wanneer gelijkheid niet expliciet wordt meegenomen, werken standaardprocedures vaak het beste voor groepen die al een voordeel hebben. Wanneer gelijkheid vanaf het begin wordt meegenomen, wordt routinematige zorg toegankelijker, acceptabeler en effectiever voor een bredere groep patiënten.

Een op gelijkheid gerichte benadering in de gezondheidszorg begint met bewuste reflectie en planning. Teams zouden hun begrip van gelijkheid expliciet moeten maken en bespreken wat eerlijke toegang en eerlijke uitkomsten betekenen in hun specifieke zorgcontext. Dit omvat het identificeren van patiëntengroepen die minder waarschijnlijk deelnemen, therapietrouw zijn of profiteren van zorg, en het onderzoeken van praktische barrières zoals taal, gezondheidsvaardigheden, vervoer, digitale toegang, kosten, stigma of eerdere negatieve ervaringen met zorg. Planning voor gelijkheid betekent ook het erkennen van de kracht van patiënten en gemeenschappen, niet alleen van risico’s en tekortkomingen, alsook het leren van eerdere verbeteringsinitiatieven. Zo kan bijvoorbeeld de toegang tot zorg voor kinderen met obesitas in regionale en landelijke gebieden worden verbeterd door digitale zorg, uitbreiding van verpleegkundige rollen in de eerstelijnszorg en modellen voor gezondheidswerkers in de gemeenschap.

Een ander kernprincipe is het waarderen van ervaringskennis. Patiënten zijn experts in het omgaan met hun eigen aandoeningen en omstandigheden. Hun ervaringen met zorgdiensten onthullen barrières en kansen die klinische indicatoren alleen niet laten zien. Zorgprofessionals kunnen gelijkheid versterken door gestructureerde en voortdurende manieren te creëren om perspectieven van patiënten te horen, bijvoorbeeld via patiëntpartners (bijvoorbeeld patiënten of mantelzorgers die formeel worden uitgenodigd om samen met professionals te werken aan het ontwerpen, evalueren of besturen van diensten op basis van hun ervaringskennis), adviesgroepen, feedbacksystemen en activiteiten op het gebied van co-ontwerpen. Het is daarbij belangrijk dat deze input daadwerkelijk invloed heeft op de manier waarop diensten worden geleverd en gecommuniceerd. Zo heeft bijvoorbeeld een samenwerking met jongeren met ervaringskennis van psychische problemen geleid tot een routekaart voor de jeugd-ggz-sector om gezamenlijke ontwerp-, implementatie- en evaluatieprocessen van een gemeenschapsgerichte psychosociale dienst te ondersteunen.

Reflectief handelen is ook van essentieel belang. Machtsverschillen zijn ingebouwd in zorgrelaties door professionele autoriteit, institutionele rollen en kennisverschillen. Clinici en zorgteams hebben regelmatig de gelegenheid nodig om te reflecteren op hoe aannames, stereotypen en tijdsdruk hun oordelen en interacties beïnvloeden. Gestructureerde reflectie, teamdialogen en feedback van diverse patiënten en collega’s helpen blinde vlekken te ontdekken en het risico te verkleinen dat vooroordelen zorgbeslissingen beïnvloeden. Reflectie moet ingebed zijn en onderdeel worden van routines voor kwaliteitsverbetering. Dit komt bijvoorbeeld naar voren in ons werk met organisaties voor jonge kinderen. Om kinderen die door trauma zijn getroffen effectief te ondersteunen, werken we disciplines en sectoren overstijgend en stimuleren we diepgaande en voortdurende reflectie over welke praktijken en beleidsmaatregelen nodig zijn om gezondheids- en welzijnsgelijkheid voor deze kinderen te bevorderen.

Gelijkheidsgerichte zorg wordt versterkt door het gebruik van passende conceptuele perspectieven. Kaders die zich richten op sociale determinanten van gezondheid, intersectionaliteit, structurele discriminatie en cultureel verankerde zorg helpen om gelijkheid te vertalen van een abstracte waarde naar praktische beslissingen. Deze perspectieven bepalen hoe professionals omgaan met het niet naleven van voorschriften, gemiste afspraken, communicatieproblemen en risicogedrag. De focus verschuift zo van “niet-meewerkende patiënten” naar systemen en contexten die niet goed aansluiten.

Gezondheidsongelijkheden worden geproduceerd door grote systemen, maar ze worden ook versterkt of verminderd door de vele dagelijkse handelingen binnen zorginstellingen. Gelijkheid vooropstellen staat daarom niet los van goede klinische zorg; het is er een integraal onderdeel van.

Praktische aanbevelingen

        Houd je ogen en geest open. Vergroot je begrip van gezondheidsongelijkheden en hun structurele oorzaken. Reflecteer op je eigen professionele positie, aannames en mogelijke impliciete vooroordelen en overweeg hoe deze communicatie, klinische oordelen en verwachtingen van patiënten kunnen beïnvloeden. Maak korte reflectiemomenten onderdeel van de dagelijkse praktijk en teamvergaderingen.

        Zoek actief en luister naar de meningen van verschillende patiënten. Ga verder dan standaard tevredenheidsonderzoeken. Creëer eenvoudige, terugkerende mogelijkheden om verschillende patiëntgroepen te horen, vooral degenen die minder vaak komen of hun behandeling stoppen. Werk samen met patiëntvertegenwoordigers en gemeenschapsorganisaties en laat duidelijk zien dat hun feedback wordt gewaardeerd en leidt tot aanpassingen in de dienstverlening.

        Denk kritisch na over de hulpmiddelen en procedures die je gebruikt. Klinische zorgpaden, educatiematerialen, digitale portalen en gedragsveranderingstools zijn vaak ontworpen voor hoogopgeleide en financieel draagkrachtige patiënten. Controleer of materialen en processen begrijpelijk, cultureel passend en toegankelijk zijn. Pas het taalgebruik en de manieren van aanbieden aan waar nodig. Maak je vanaf het begin vertrouwd met en werk bijvoorbeeld met gelijkheidskaders en theorieën.

        Wees bereid om ongelijkwaardige routines en structuren ter discussie te stellen. Let op patronen in wie afspraken mist, wie wordt doorverwezen en wie het minst profiteert van zorg. Bespreek deze observaties met je team en vraag hen en je patiënten waarom deze ongelijkheden ontstaan. Kom op voor de behoeften van deze patiënten zoals zij die zelf beschrijven. Dit kan bijvoorbeeld inhouden: flexibele planning, toegang tot tolken, benaderingsmethodieken en een passende verdeling van middelen.

        Waardeer meerdere vormen van bewijs. Combineer klinische richtlijnen en kwantitatieve indicatoren met patiëntverhalen, inzichten van eerstelijnsmedewerkers en kennis uit de gemeenschap. Verschillende bronnen van bewijs geven samen een nauwkeuriger beeld van wat voor wie werkt in de praktijk.

Vertaald door: Denise van Rijen en Isabelle Colombi-Maussen

Read more

Gedachten veranderen over gedrag veranderen

Theresa Marteau Universiteit van Cambridge, Verenigd Koninkrijk  

Velen van ons hebben moeite om gezonder te eten, minder alcohol te drinken, te stoppen met roken of te lopen in plaats van met de auto te gaan. Dit geldt zelfs als we weten dat deze veranderingen goed zijn voor onze gezondheid en de planeet. Het geldt zowel voor psychologen en gedragswetenschappers als voor de mensen die we proberen te helpen.

Deze worsteling is geen gebrek aan wilskracht. Het probleem is dat we consequent onderschatten in hoeverre onze dagelijkse omgeving ons gedrag beïnvloedt en de kracht van onze waarden en intenties overschatten.

Waarom weten alleen niet genoeg is

Denk eens aan gepersonaliseerde gezondheidsprognoses. Het zou toch zeker motiverend werken om iemand te vertellen wat iemands exacte risico is op het ontwikkelen van diabetes type 2 of hartziekten? Het bewijs wijst anders uit. Vijf systematische reviews, waaronder tientallen gerandomiseerde gecontroleerde studies, tonen aan dat het geven van gepersonaliseerde risicoschattingen – inclusief genetische risicofactoren – weinig of geen invloed heeft op het gedrag van mensen. De percentages voor gebrek aan lichaamsbeweging, roken, alcoholgebruik en ongezond eten blijven ongewijzigd.

Op dezelfde manier beschikken klimaatwetenschappers over gedetailleerde kennis over klimaatveranderingen, maar vliegen ze vaak net zoveel als andere academici. Kennis alleen leidt zelden tot blijvende gedragsverandering.

Het is de omgeving

Duale procesmodellen uit de gedragswetenschap helpen dit te verklaren. Ons gedrag wordt gereguleerd door twee op elkaar inwerkende systemen. Het ene is traag, reflectief en doelgericht. We gebruiken het om te lezen, nieuwe vaardigheden te leren en verleidingen te weerstaan. Het andere is snel, automatisch en cue-gedreven – als we taart zien, pakken we die. Wanneer ons beperkte reflectieve vermogen volledig bezet is, reageert ons automatische systeem direct op omgevingssignalen. Daarom is het veranderen van de signalen om ons heen krachtiger dan proberen te veranderen wat er in ons hoofd omgaat.

De krachtigste omgevingsprikkels vallen onder de volgende drie principes: Betaalbaarheid, Beschikbaarheid en Aantrekkelijkheid (“The three A’s: Affordability, Availability and Appeal”).

Betaalbaarheid: prijs verandert gedrag

Het verhogen van de tabaksprijzen is de meest effectieve maatregel om het roken terug te dringen. Een prijsstijging van 10% vermindert het tabaksgebruik met ongeveer 4%. Belasting op frisdrank vermindert de consumptie van suikerhoudende dranken. De consumptie van groenten en fruit neemt toe door subsidies die de prijs verlagen.

Beschikbaarheid: wat toegankelijk is, wordt gekozen

In een onderzoek onder 20.000 werknemers in 19 bedrijfskantines heeft mijn onderzoeksteam het aandeel van aangeboden caloriearme lunches vergroot en de portiegroottes van calorierijke maaltijden verkleind. Het resultaat? Werknemers kochten 11,5% minder calorieën naarmate het gemakkelijker werd om gezondere opties te kiezen.

Aantrekkingskracht: reclame werkt

Het stopzetten van reclame en sponsoring door de tabaks-, alcohol- en ongezonde voedingsindustrie vermindert de aantrekkingskracht en de aankoop van hun producten. Soortgelijke effecten worden verwacht voor producten op basis van fossiele brandstoffen. Het aanbrengen van duidelijke waarschuwingslabels en het verwijderen van merknamen van producten verminderen ook hun aantrekkingskracht. Labels op alcohol in Yukon, Canada, die duidelijk waarschuwen voor kanker door alcoholgebruik, hebben de alcoholverkoop met ongeveer 6% verminderd. Een neutrale verpakking van tabak maakt waarschuwingslabels beter zichtbaar.

Waarom regelgeving belangrijk is

De meeste maatregelen die prikkels in onze dagelijkse omgeving veranderen om ons gedrag te beïnvloeden, vereisen regelgeving omdat ze in strijd zijn met commerciële belangen. Vier sectoren – tabak, alcohol, ongezond voedsel en fossiele brandstoffen – produceren producten die jaarlijks wereldwijd verantwoordelijk zijn voor minstens één op de vier sterfgevallen en voor het grootste deel van de broeikasgasemissies die het klimaat opwarmen.

Toch blijven voorlichtingscampagnes en vrijwillige zelfregulering door de industrie de voorkeursaanpak. Deze industrieën bevorderen deze voorkeur actief door middel van lobbywerk, het financieren van onderzoek dat regelgeving in twijfel trekt en het afschilderen van overheidsingrijpen als een beperking van de vrijheid.

Wat er moet veranderen

We moeten wetenschappelijk bewijs en beleidsvorming beschermen tegen inmenging door bedrijven. De tabaksontmoediging biedt hiervoor een voorbeeld. Landen die artikel 5.3 van het internationale verdrag inzake tabaksontmoediging hebben aangenomen, hebben de beleidsvorming beschermd tegen inmenging door de industrie, hebben een meer op wetenschappelijk bewijs gebaseerd beleid gevoerd en kennen lagere percentages rokers. We moeten deze bescherming uitbreiden naar alle bedrijven die producten maken die onze gezondheid schaden en onze planeet verwoesten. Burger Beraden en andere vormen van deliberatieve democratie, waarbij burgers samenwerken met lokale of nationale overheden, zijn ook veelbelovend, zowel wat betreft het vergroten van de invloed van burgers op de beleidsvorming als de invloed van wetenschappelijk bewijs.

Praktische aanbevelingen

Voor zorgverleners

1.      Begin met de omgeving, niet met voorlichting. Probeer bij het werken met cliënten of patiënten de omgevingsfactoren te identificeren die ongewenst gedrag uitlokken. In plaats van je uitsluitend te richten op motivatie of kennis, kun je mensen helpen hun directe omgeving anders in te richten. Bijvoorbeeld: houd fruit in het zicht en verwerkte snacks uit het zicht; zet fietsen in de gang in plaats van in de kelder; gebruik kleinere borden en glazen.

2.     Pleit voor veranderingen op de werkplek. Werk samen met uw instelling om de beschikbaarheid van gezondere opties in de kantines te vergroten en de kosten ervan te verlagen. Eenvoudige veranderingen, zoals het standaard aanbieden van plantaardige maaltijden met een eenvoudige opt-out, kunnen het gedrag aanzienlijk veranderen.

Voor volksgezondheid teams

3.      Maak het onzichtbare zichtbaar. Gebruik uw platforms om te communiceren over hoe omgevingen gedrag beïnvloeden. Daag het dominante verhaal uit dat gedragsverandering voornamelijk te maken heeft met individuele wilskracht of kennis. Het bewijs toont aan dat het gaat om het veranderen van contexten, niet alleen de denkwijzen.

4.      Betrek beleidsmakers. Breng hiaten tussen bewijs en beleid in kaart, zowel lokaal als nationaal. Schrijf beleidsmakers aan met specifieke, door bewijs onderbouwde aanbevelingen. Velen staan open voor input van experts, vooral als die praktische oplossingen bevat. Mijn brief aan een Britse minister van Volksgezondheid leidde bijvoorbeeld tot een bewijssynthese over gedragsverandering om de gezonde levensverwachting te verhogen.

5.      Bouw coalities op voor regelgeving. Leg contact met organisaties die pleiten voor empirisch onderbouwd beleid op het gebied van tabak, alcohol, voeding en vervoer. Collectieve belangenbehartiging is essentieel om de invloed van de industrie tegen te gaan. Zoek naar mogelijkheden om samenvattingen van bewijsmateriaal aan te leveren die strengere regelgeving ondersteunen, vergelijkbaar met hoe tabaksontmoediging succesvol was door gecoördineerde betrokkenheid van deskundigen bij beleidsmakers.

Vertaald door: Denise van Rijen en Isabelle Colombi-Maussen 

Read more

Minder zitten: Kleine veranderingen met een groot effect

Door Zofia Szczuka, SWPS University, Polen en Deakin University, Australië

Sedentaire gedragingen: meer dan alleen “niet actief zijn”

De gezondheidsvoordelen van meer bewegen zijn algemeen bekend. Maar schenken we evenveel aandacht aan zogenaamde ‘sedentaire gedragingen’?

Sedentaire gedragingen zijn alle wakkere activiteiten die we zittend of liggend uitvoeren tijdens de dag en die heel weinig energie van ons lichaam vragen. Belangrijk om te weten: sedentaire gedragingen zijn niet hetzelfde als weinig fysieke activiteit. Je kunt elke ochtend 30 minuten gaan joggen en toch de rest van de dag langdurig zitten op je werk of thuis. Dit wordt soms het “actieve bankhanger”-fenomeen genoemd, waarbij regelmatige beweging samengaat met veel zitten. Het verminderen van zittijd en het verhogen van fysieke activiteit zijn beide belangrijke doelen in de huidige richtlijnen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).

(more…)

Read more

Ondersteuning van gezondheidsmedewerkers bij het aanpakken van terughoudendheid ten aanzien van vaccinatie

Door Dawn Holford, Universiteit van Bristol, Verenigd Koninkrijk; Linda Karlsson, Universiteit van Turku, Finland; Frederike Taubert, Universiteit van Erfurt, Duitsland; Emma C. Anderson, Universiteit van Bristol, Verenigd Koninkrijk, Virginia C. Gould, Universiteit van Bristol, Verenigd Koninkrijk.

Misvattingen over vaccinatie corrigeren

Vaccineren is een van de meest succesvolle instrumenten voor de volksgezondheid: naar schatting redt een vaccinatie elke minuut zes levens. Maar vaccineren stuit ook op weerstand bij het publiek, waarbij aanhoudende desinformatie het vertrouwen van het publiek in vaccineren ondermijnt en een uitdaging vormt voor gezondheidsmedewerkers die zich bezighouden met vaccineren. Hoe kunnen gezondheidsmedewerkers het hoofd bieden aan de stortvloed van valse verhalen over vaccineren? Wat kunnen ze zeggen tegen patiënten die deze verhalen aanhalen als reden om zichzelf of hun kinderen niet te laten vaccineren?

(more…)

Read more

Herdenken van ouder worden om actief en gezond te blijven

Door Aïna Chalabaev, Grenoble Alpes University, Frankrijk

Zoals in een eerdere blog beschreven, zijn de gezondheidsvoordelen van regelmatige lichaamsbeweging goed vastgesteld voor mensen van 65 jaar en ouder. De Wereldgezondheidsorganisatie(WHO) heeft duidelijke richtlijnen opgesteld over de hoeveelheid en het type activiteit die gezondheidswinst opleveren. Toch blijven ouderen wereldwijd tot de meest inactieve bevolkingsgroep behoren.

(more…)

Read more

MyLifeTool: Een persoonsgerichte, holistische benadering van zelfmanagement bij chronische aandoeningen

Door Dr. Stephanie Kılınç, Teesside University, Verenigd Koninkrijk en Jo Cole, de Tees Valley, Durham en North Yorkshire Neurological Alliance, Verenigd Koninkrijk

Chronische aandoeningen vormen een grote uitdaging voor de wereldwijde gezondheidszorg vanwege hun hoge prevalentie en ziektelast, waaronder de aanzienlijke impact op het aantal jaren geleefd met beperkingen. Ze hebben ook een sterke negatieve invloed op de gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven en gaan gepaard met hogere percentages angst en depressie dan bij de algemene bevolking.

MyLifeTool is een zelfmanagementtool voor mensen die leven met een chronische aandoening (bijv. diabetes, multiple sclerose, chronische pijn, astma, angststoornissen, neurodivergentie, niet-aangeboren hersenletsel, fibromyalgie). De tool werd ontwikkeld in samenwerking met mensen met chronische aandoeningen, leden van Neuro Key en psychologen van Teesside University. Het is gebaseerd op ons zelfmanagement raamwerk dat een persoonsgerichte, niet-instructieve benadering van zelfmanagement hanteert. Mensen met chronische aandoeningen stonden centraal in het project: zij bepaalden hoe MyLifeTool eruit zou zien en kozen de naam. (more…)

Read more

Boven water: heroverweging van verdrinkingspreventie op alle niveaus

Door Kyra Hamilton, Griffith University, Australië en Amy Peden, Universiteit van New South Wales, Australië

Verdrinking is een belangrijke, maar grotendeels te voorkomen, oorzaak van overlijden en verwondingen die nog steeds onvoldoende wordt erkend. Een veel voorkomende mythe: verdrinking is niet altijd fataal. De definitie van verdrinking werd herzien om duidelijk te maken dat verdrinking een proces is, geen resultaat. Het resultaat van het verdrinkingsproces kan de dood zijn (fatale verdrinking) of overleven met of zonder blijvend letsel zoals hersenverlamming en andere neurologische aandoeningen veroorzaakt door een gebrek aan zuurstof naar de hersenen (niet-fatale verdrinking). Termen als “verdrinken op het droge”, “Secundaire verdrinking” of “bijna-verdrinking” worden vaak gebruikt in de media, maar ze zijn verouderd en medisch onjuist, dus het is tijd om ze niet meer te gebruiken. (more…)

Read more