{"id":2175,"date":"2021-05-04T11:54:06","date_gmt":"2021-05-04T11:54:06","guid":{"rendered":"https:\/\/practicalhealthpsychology.com\/?p=2175"},"modified":"2025-11-04T14:10:57","modified_gmt":"2025-11-04T14:10:57","slug":"how-to-support-patients-to-lose-weight-and-better-manage-their-type-2-diabetes-2","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/practicalhealthpsychology.com\/nl\/2021\/05\/how-to-support-patients-to-lose-weight-and-better-manage-their-type-2-diabetes-2\/","title":{"rendered":"Pati\u00ebnten helpen met afvallen en het managen van diabetes type 2"},"content":{"rendered":"<p><strong>Leah Avery &#8211; Teesside University, UK.<\/strong><\/p>\n<p>Diabetes type 2 werd tot voor kort gezien als een progressieve aandoening, met een uiteindelijke behandeling met insuline. Echter, uit onderzoek naar verandering in levensstijl blijkt die prognose minder pessimistisch. Terwijl de prevalentie van diabetes type 2 blijft stijgen, stijgt ook het aantal onderzoeksresultaten die de rol van voeding in het succesvol managen van de conditie bevestigen.<\/p>\n<p>Di\u00ebten kunnen grofweg in twee soorten ingedeeld worden. Ten eerste de di\u00ebten die focussen op <em>wat <\/em>we eten (bijvoorbeeld koolhydraten), en het optimaliseren van metabolisme en glucose controle door langzaam maar zeker af te vallen. Ten tweede de di\u00ebten die focussen op <em>hoeveel<\/em> we eten, zoals een caloriearm dieet dat zich richt op het sterk verminderen van energie-inname, om snel gewicht te verliezen.<\/p>\n<p><strong>\u00a0<\/strong><!--more--><\/p>\n<ol>\n<li><strong>Het koolhydraatarme dieet<\/strong><\/li>\n<\/ol>\n<p>Tot voor kort werd mensen met diabetes type 2 aangeraden een suikerarm en koolhydraatrijk dieet te volgen, omdat werd aangenomen dat het lichaam suiker uit koolhydraten langzaam opneemt. We weten nu dat suiker uit veel koolhydraatrijk voedsel juist sneller wordt opgenomen dan suikerrijk eten. Helaas volgen veel mensen met diabetes type 2 nog het oude dieet wat slecht is voor glucose controle.<\/p>\n<p>Recente onderzoeksresultaten tonen een noodzaak om mensen met diabetes type 2 te helpen hun koolhydraat inname te verlagen door andere keuzes te maken met betrekking tot hun dieet. Dit kan onder andere door informatie te geven over waar veel koolhydraten inzitten, en het bijhouden hoeveel koolhydraten op de langere termijn worden gegeten. Deze strategie wordt ook wel \u2018zelfcontrole\u2019 genoemd. De pati\u00ebnt moet dan geholpen worden met het verlangen van de koolhydraat inname door doelen te stellen en plannen te maken (<em>wanneer<\/em>, <em>waar<\/em>, en <em>hoe<\/em> ze gaan minderen met koolhydraatrijk voedsel) en coping plannen (als ik hindernissen tegenkom, dan zal ik X doen) om hindernissen te overwinnen (bijvoorbeeld koolhydraatrijke snacks op kantoor). Onderzoek toont aan dat een verlaging van koolhydraat inname helpt om met succes diabetes type 2 te managen door af te vallen, waarbij di\u00ebten laag in koolhydraten tot betere uitkomsten leiden dan di\u00ebten met matige koolhydraat inname.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>Elke pati\u00ebnt is echter uniek, wat altijd een uitdaging vormt om de optimale koolhydraat inname en voedingskeuzes te vinden. Iedereen heeft bijvoorbeeld een uniek koolhydraat tolerantieniveau, d.w.z. hoeveel koolhydraten je binnen kunt krijgen voor dat een negatieve invloed heeft op je gewicht en glucose. De persoonlijke drempelwaarde voor vet werkt op dezelfde manier, d.w.z. sommige mensen met diabetes type 2 moeten veel gewicht verliezen om hun glucose niveau te managen, terwijl anderen minder gewicht hoeven te verliezen om hetzelfde niveau te bereiken. Bovendien ontwikkelen sommige mensen diabetes type 2 met een veel lagere BMI dan anderen, en de persoonlijke drempelwaarde voor vet kan daar een gedeeltelijke verklaring voor geven. Waar vet in het lichaam wordt opgeslagen (in of rond de organen, of meer aan de buitenkant van het lichaam), en de persoonlijke drempelwaarde voor vet, kunnen verklaren waarom mensen zo anders reageren op di\u00ebten. Het kan ook helpen verklaren waarom di\u00ebten voor de een beter werken dan voor de ander. Het is nuttig om pati\u00ebnten dit soort informatie te geven om te helpen verklaren waarom iets voor hen wel of niet werkt.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<ol start=\"2\">\n<li><strong>De caloriearme aanpak<\/strong><\/li>\n<\/ol>\n<p>Deze aanpak kan veel voordeel hebben voor mensen die net gediagnosticeerd zijn (d.w.z. binnen de eerste 6 jaar) met diabetes type 2. Het caloriearme dieet veroorzaakt snel gewichtsverlies om diabetes type 2 in remissie te brengen tot een non-diabetische staat waarbij medicatie niet langer nodig is. Het betreft een maaltijd vervangend dieet met lage calorische waarde, van 12 tot 20 weken, waarbij het doel is 15kg te verliezen. Dit wordt gevolgd door een periode van 2 tot 8 weken waarin langzaamaan weer vast voedsel wordt gegeten. In deze periode krijgt de pati\u00ebnt ook hulp van bijvoorbeeld een gedragsdeskundige en verpleegkundige om het gewichtsverlies vol te houden. Een grootschalig onderzoek vond dat bij ongeveer de helft van de pati\u00ebnten die dit dieet deden een jaar later diabetes in remissie was. Recent gepubliceerd onderzoek heeft aangetoond dat dit dieet twee jaar later nog steeds voordeel kan opleveren.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>Welk dieet is effectiever? Het antwoord is eenvoudig: het dieet wat de pati\u00ebnt het beste kan volhouden en wat voor hen het beste werkt. Pati\u00ebnten hebben persoonlijke voorkeuren voor en idee\u00ebn over hun dieet, die be\u00efnvloed worden door hun motivatie om af te vallen. Sommige pati\u00ebnten zullen een voorkeur hebben voor een caloriearm dieet om snel af te vallen en te voorkomen dat insuline behandeling nodig is. Daarbij hoeft de pati\u00ebnt tijdens de eerste fase van dit dieet niet na te denken over het vormgeven van de maaltijden. Anderen zullen een voorkeur hebben voor een koolhydraatarm dieet omdat ze willen leren gezond te koken, geleidelijk af te vallen, en hun eetgedrag op de langere termijn aan te passen. Bij dit dieet hoeft men ook geen maaltijd vervangende producten te consumeren.<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p>Hoe kies je als gezondheidszorg medewerkers de juiste aanpak voor pati\u00ebnten met diabetes type 2, en hoe steun je pati\u00ebnten hierin?<\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong>Praktische tips<\/strong><\/p>\n<ul>\n<li>Het is belangrijk dat gezondheidszorg medewerkers begeleiden maar niet instrueren. Vertel pati\u00ebnten niet welk dieet het beste voor hen is, maar probeer hun persoonlijke motivatoren voor afvallen, hun ervaringen, voorkeuren, en barri\u00e8res te achterhalen.<\/li>\n<li>Geef pati\u00ebnten informatie zodat ze goed begrijpen wat elk dieet precies inhoudt (kijk bijvoorbeeld op de Diabetes UK webpagina). Denk hierbij aan informatie over de kenmerken van elk dieet, inclusief de eventuele bijwerkingen, en de kennis en vaardigheden die nodig zijn om het dieet te laten slagen.<\/li>\n<li>Stel open vragen om de voorkeur, motivatie, en barri\u00e8res van de pati\u00ebnt te peilen.<\/li>\n<li>Welke optie zou je het beste volhouden?<\/li>\n<li>Wat hoop je te bereiken met afvallen?<\/li>\n<li>Wat zou er kunnen gebeuren zodat je je dieet niet volhoudt?<\/li>\n<li>Moedig pati\u00ebnten aan emotionele en praktische steun te zoeken in hun sociale omgeving, bijvoorbeeld bij partners, familie, of vrienden.<\/li>\n<li>Geef positieve feedback waar mogelijk. Dit kan positieve feedback zijn voor elke stap die de pati\u00ebnt zet om hun dieet te wijzigen (bijvoorbeeld gedetailleerde plannen maken om hun dieet te wijzigen), successen (daadwerkelijke veranderingen die de pati\u00ebnt aanbrengt in hun dagelijks leven), en positief reageren op de impact van de gemaakte veranderingen op gewicht en glucosecontrole.<\/li>\n<\/ul>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><em>[Vertaald door Anne van Dongen]<\/em><\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>By Leah Avery, Teesside University, UK. Type 2 diabetes was previously considered a progressive condition, with an inevitable need for insulin therapy, however lifestyle behavioural change research challenges this pessimistic prognosis. As prevalence of type 2 diabetes continues to increase, [&hellip;]<\/p>\n","protected":false},"author":1,"featured_media":2222,"comment_status":"closed","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"_et_pb_use_builder":"","_et_pb_old_content":"","_et_gb_content_width":"","_monsterinsights_skip_tracking":false,"_monsterinsights_sitenote_active":false,"_monsterinsights_sitenote_note":"","_monsterinsights_sitenote_category":0,"_uf_show_specific_survey":0,"_uf_disable_surveys":false,"footnotes":""},"categories":[28,7,27,20],"tags":[],"class_list":["post-2175","post","type-post","status-publish","format-standard","has-post-thumbnail","hentry","category-communication","category-incentives","category-motivation","category-social-support"],"translation":{"provider":"WPGlobus","version":"3.0.2","language":"nl","enabled_languages":["en","id","my","bg","zh","hr","cz","da","de","es","fr","gr","he","it","ja","kr","lv","lt","hu","nl","no","pl","pt","ro","ru","sk","fi","sv","tr","uk"],"languages":{"en":{"title":true,"content":true,"excerpt":false},"id":{"title":true,"content":true,"excerpt":false},"my":{"title":true,"content":true,"excerpt":false},"bg":{"title":true,"content":true,"excerpt":false},"zh":{"title":true,"content":true,"excerpt":false},"hr":{"title":false,"content":false,"excerpt":false},"cz":{"title":true,"content":true,"excerpt":false},"da":{"title":true,"content":true,"excerpt":false},"de":{"title":true,"content":true,"excerpt":false},"es":{"title":true,"content":true,"excerpt":false},"fr":{"title":true,"content":true,"excerpt":false},"gr":{"title":true,"content":true,"excerpt":false},"he":{"title":true,"content":true,"excerpt":false},"it":{"title":true,"content":true,"excerpt":false},"ja":{"title":true,"content":true,"excerpt":false},"kr":{"title":false,"content":false,"excerpt":false},"lv":{"title":true,"content":true,"excerpt":false},"lt":{"title":false,"content":false,"excerpt":false},"hu":{"title":false,"content":false,"excerpt":false},"nl":{"title":true,"content":true,"excerpt":false},"no":{"title":true,"content":true,"excerpt":false},"pl":{"title":true,"content":true,"excerpt":false},"pt":{"title":false,"content":false,"excerpt":false},"ro":{"title":false,"content":false,"excerpt":false},"ru":{"title":true,"content":true,"excerpt":false},"sk":{"title":true,"content":true,"excerpt":false},"fi":{"title":true,"content":true,"excerpt":false},"sv":{"title":false,"content":false,"excerpt":false},"tr":{"title":true,"content":true,"excerpt":false},"uk":{"title":true,"content":true,"excerpt":false}}},"aioseo_notices":[],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/practicalhealthpsychology.com\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/2175","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/practicalhealthpsychology.com\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/practicalhealthpsychology.com\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/practicalhealthpsychology.com\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/users\/1"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/practicalhealthpsychology.com\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=2175"}],"version-history":[{"count":45,"href":"https:\/\/practicalhealthpsychology.com\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/2175\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":4575,"href":"https:\/\/practicalhealthpsychology.com\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/2175\/revisions\/4575"}],"wp:featuredmedia":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/practicalhealthpsychology.com\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/media\/2222"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/practicalhealthpsychology.com\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=2175"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/practicalhealthpsychology.com\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/categories?post=2175"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/practicalhealthpsychology.com\/nl\/wp-json\/wp\/v2\/tags?post=2175"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}